» Start
» Geografie
» Bevolking
» Bestuur
» Staatshoofden
» Economie
» Geschiedenis
» Toeristisch
» Islam

» Links
» Zoek
» Voorpagina Lokum.NL
Doorzoek dit onderdeel:

Seldjoeken
Seldjoeken, Turks geslacht dat in het begin van de 11de eeuw de leiding kreeg over de in West-Toerkestan nomadiserende Ghoezen. De stamvader was Seldjoek (midden 10e eeuw), maar als de eigenlijke grondlegger van hun macht geldt Tughrul Bey, kleinzoon van Seldjoek, die in de eerste helft van de 11de eeuw Perzië met de aangrenzende gebieden onderwierp en Bagdad van hem afhankelijk maakte. In 1058 werd Tughrul kalief van Bagdad. Met deze Seldjoekenverovering van Perzië begon de overheersing van het Turkse element in het oosten van de islamitische wereld. Na het bewind van de sultans Alp Arslan (1063–1072) en Malik Sjah (1072–1092) kwam er een einde aan de eenheid van het Seldjoekenrijk. In de 12de eeuw viel het uiteen onder verschillende nevenlinies van het geslacht, zoals de Seldjoeken van Kirman (1041–1186), van Irak (1118–1194) en van Syrië (1078–1117). Een zeer belangrijke neventak was die van de zgn. Roem-Seldjoeken, die in de loop van de 12de eeuw bijna geheel Klein-Azië veroverden en tot ca. 1302 vanuit de hoofdstad Konya over dit gebied heersten. Zij waren de voorlopers van de Osmaanse Turken.

Beeldende kunst

De belangrijkste vernieuwingen en tevens de belangrijkste bewaard gebleven kunstwerken zijn te vinden in de – sacrale – architectuur, waarbij de Seldjoeken een geheel nieuw element invoerden: de decoratie van zowel in- als exterieur met baksteenpatronen en geglazuurde tegels.

Perzië

In Perzië ontwikkelden de Seldjoeken een nieuw type moskee, teruggaande op paleizen der Sassaniden, met een centrale open binnenplaats waarop vier grote liwans uitkomen; de liwans, aanvankelijk vrij strak, werden in de loop van de ontwikkeling steeds rijker versierd (stalactietgewelf). Belangrijkste voorbeeld van een zgn. liwanmoskee is de Vrijdagmoskee of Masdjid-Djoem’a te Isfahan (1088). Ook naar de koepelbouw ging hun hernieuwde belangstelling uit (Masdjid-i-Djoem’a te Qazvin, 1113). De Seldjoeken creëerden de madrasa als nieuw type gebouw, waarbij vrijwel dezelfde architectonische principes werden gebruikt als bij de moskee (voorbeelden te Nisjapoer, Toes en Bagdad). Ook ontwikkelden zij een nieuw islamitisch grafmonument: de goembat of türbe, een meestal ronde, soms stervormige of meerhoekige (graf)toren, vaak twee verdiepingen hoog, voorzien van een kegelvormig dak. De enkele toegangsdeur leidt naar de (op de bovenste verdieping gelegen) grafkamer. In tegenstelling tot de graftorens uit Anatolië waren ze in Perzië meestal weinig versierd, soms alleen maar met een inscriptieband. De Goembat-i-Qaboes (1006) en de toren bij Radkan (1281) in Oost-Perzië behoren tot de fraaiste voorbeelden. De laatste toont vrij duidelijk de vermoedelijke herkomst van dit vreemde gebouw: de oude Mongoolse nomadentent. De belangstelling voor de koepel deed hen ook koepelgraven bouwen, uiterlijk bijna niet te onderscheiden van de graftorens.

Van de toegepaste kunsten dienen vooral aardewerk en metaalwerk vermeld te worden. Van de aardewerkproductie waren de centra Rajj en Kashan. Het aardewerk werd vervaardigd op verschillende wijzen, waarvan de ‘lakabi-waar’ (= beschilderd), de China-imitaties en de minai-waar (geëmailleerd), de voornaamste zijn. Hun metaalwerk, vnl. tafelgerei, is in brons, goud of zilver, met gegraveerde decoratie of met zilver of goud ingelegd.

Anatolië

In Anatolië waren de Roem-Seldjoeken, vooral wat betreft de structuur van moskeeën en madrasa's en de motieven van beeldhouwwerk en mozaïek, erg afhankelijk van het Oosten, m.n. van Perzië. De architectuur, ook hier de belangrijkste kunstvorm, is nochtans duidelijk te onderscheiden van de Perzische, o.m. in de Byzantijnse invloed, herkenbaar in het gebruik van natuursteen in plaats van baksteen, en tevens in bepaalde technieken en stijlen. Wat de sacrale architectuur betreft, hielden de Roem-Seldjoeken vast aan de schema's van de koefa- en de transeptmoskee, zonder de liwans over te nemen. Kenmerkend voor het eerste type zijn de Grote Moskee te Sivas en de Ala’eddin-moskee te Konya; voor het tweede type is de moskee te Diyarbakir karakteristiek. Ook bij de madrasa's kunnen we twee types onderscheiden: één met open voorhof (= Perzisch type), zoals de Tshift Minare te Erzurum, en een tweede met een gesloten koepelruimte (Turks type), zoals de Büyuk Karatay te Konya. Het meest kenmerkende gebouwentype van de Roem-Seldjoeken is echter de karavanserai of chan. Deze meestal vestingachtige gebouwen, opgericht langs de belangrijkste karavaanwegen, op ongeveer 30 km van elkaar, hebben alle ongeveer hetzelfde bouwschema: rechthoekig, slechts één ingang aan de smalle zijde, waarlangs men een open hof bereikt waarop de vertrekken uitkomen, en achteraan, aan de andere smalle zijde, een grote overkoepelde centrale hal. Er was ook steeds een kleine moskee bij het gebouw. Langs de weg van Konya tot Kayseri staan de fraaiste, waarvan de Sultan Han uit 1229 de meest bekende is.

Deze drie gebouwentypes, moskeeën, madrasa's en chans, hebben als gemeenschappelijk kenmerk de rijkelijk uitgewerkte toegangspoorten volgens een geheel nieuwe stijl: rechthoekig grondplan, stalactietnis aan de bovenzijde en omlijsting van kleine zuilen. Omdat de Roem-Seldjoeken gewoonlijk de stichter van een madrasa begroeven in de buurt van zijn school, komen ook talrijke goembats of graftorens voor.

Van hun paleizen en militaire bouwwerken geven nog slechts vnl. ruïnes een indruk, te Konya, Kayseri, Diyarbakir en Koebadabad; alleen in de havenstad Alanya bleef een Roem-Seldjoekse vesting intact (citadel, toren, scheepswerf). Aan toegepaste kunstvoorwerpen zijn van de Roem-Seldjoeken eveneens artistiek hoogstaande keramiek, houtsnijwerk en textiel bekend. In het Museum voor Turks-islamitische kunst in Istanbul, het ethnografisch museum te Ankara en het Mevlana-museum te Konya zijn mooie collecties bewaard.

Syrië en Irak

De Seldjoeken van de andere nevenlinies, vooral in Syrië en Irak, hielden trouwer vast aan de traditionele moskee- en madrasabouw. Pas laat, in de 13de eeuw, verscheen met de Roekh-moskee te Damascus een eerste koepelmoskee. In Mosoel, Bagdad en Aleppo zijn verder nog mooie voorbeelden van militaire en civiele architectuur bewaard. Ten slotte valt nog te vermelden de miniatuurschilderkunst (School van Bagdad, 13de eeuw), de reliëfkeramiek en het bronsinlegwerk uit Mosoel, en het geëmailleerde en vergulde glas uit Aleppo, dat sinds de 12de eeuw het glascentrum bij uitstek was.


» Stuur dit bericht naar een vriend, klik hier...


Meer:
  • Seldjoeken
  • Osmaanse Rijk
  • De negentiende eeuw
  • De republiek tot 1950
  • De republiek na 1950
  • De jaren tachtig en negentig